3.04 De rol en functie van adaptaties

Adaptaties, evolutionaire aanpassingen, staan centraal in EP om hun essentiele rol in de functionele eigenschappen van de mens en het brein. Adaptaties ontstonden omdat zij een selectievoordeel betekenden en bestaan uit mechanismen met geëvolueerde functies die dienen als genetisch ‘doorgeefluik’ van informatie aan volgende generaties. Adaptaties bevatten de geëvolueerde functies met erfelijke ‘voorgeprogrammeerde,’ probleemoplossende mechanismen van de soort. Het individu is zich van de werking van deze mechanismes, die ontstaan als gevolg van willekeurige veranderingsprocessen (mutaties) en sociale en ecologische feedback processen, niet bewust. Evolutionair verwerven sommige individuen een voordeel in relatie tot hun reproductieve succes en krijgen meer nakomelingen. Bij blijvend reproductief succes van de nakomelingen van het individu, is dit voordeel vele generaties later in de genenpoel opgenomen. Natuurlijke en seksuele selectie zijn de evolutionaire verklaring voor het ontstaan en voortbestaan van adaptaties. Overigens bestaat er een duidelijk verschil tussen natuurlijke en seksuele adaptaties. 

Een belangrijke adaptatie is moraliteit. Moraliteit bepaalt in hoge mate de manier waarop mensen met elkaar omgaan. Er is lang gediscussieerd over de vraag of moraliteit een aangeboren eigenschap is, of uitsluitend wordt vormgegeven door de cultuur. Op dit moment is de nature vs nurture discussie (grotendeels) verstomd, mede omdat er duidelijke aanwijzingen zijn dat moraliteit een universele, aangeboren eigenschap is en niet uniek voor de mens. Wel is de cultuur waarin iemand opgroeit van invloed op de normstelling van zijn morele afwegingen en de wijze waarop dit in zichtbaar gedrag tot uiting wordt gebracht. De ene cultuur is bijvoorbeeld tactieler ingesteld bij het bieden van troost, medeleven en andere vorm van empathie dan de andere. 


Verder met: De fundamentele motivaties