3.07 Het fundamentele motivatieprofiel

De individuele fundamentele motivatie, het individuele motivatieprofiel, stuurt de sociale strategie van het individu aan. Dat wil zeggen hoe het individu zich in een sociale context presenteert en welke strategie hij onbewust selecteert om zijn primaire doel van reproductief succes te realiseren. Om geloofwaardig te zijn, moet het gedrag van het individu desnoods ten koste van zijn overlevingskansen gaan om te laten zien dat hij zich een dergelijk gedrag kan permitteren. En als een mens dan toch een goede reden heeft om risico’s nemen, kunnen we dat in het kader van seksuele selectie ook weer tot een succesnummer maken. Er zijn maar weinig mensen die een sterke voorkeur hebben voor angsthazen.   

Ieder mens beschikt over drie adaptaties die primair het reproductieve succes van het individu ondersteunen. Deze adaptaties bestaan uit een empatisch mechanisme, een samenwerkingsmechanisme en een hiërarchische mechanisme, ofwel een relationele model, een socialisatie model of een concurrentie model. Maar om reproductief succes te hebben, moet het individu in één van de drie kunnen excelleren – alle drie tegelijk is niet mogelijk. Deze mechanismen functioneren volledig onafhankelijk van elkaar en zijn geëvolueerd om drie afzonderlijke, fundamentele adaptieve problemen van het individu op te lossen. De mechanismen zijn afzonderlijk verantwoordelijk voor a) het tot stand brengen van een succesvolle, dyadische relatie, b) met succes samenwerken met niet-verwanten en c) met succes rivalen beconcurreren door dominantie of reputatie. Het brein reageert op verschillende signalen uit de sociale omgeving, verzamelt andere informatie en verwerkt die op een andere manier. Ieder van de drie mechanismes worden door één specifieke motivatie aangestuurd en volgen een ander ontwikkelingstraject. 

Het brein prioriteert, aan de hand van de genen van het individu en de sociale omgeving waarin hij terechtkomt, één mechanisme. Het geprioriteerde mechanismes ontwikkelt zich vanaf de prenatale fase en is in principe vastgelegd rond het 3-4de jaar na de geboorte. Daarmee kan het individu zich in principe positief onderscheiden in een sociale context. Het is goed te bedenken dat de ouders van het kind weinig invloed hebben op deze ontwikkeling, vooral na de eerste fase tot het 3de of 4de jaar. Wél is van belang dat degene die zich primair met de verzorging bezighoudt – meestal de moeder – het kind in de eerste fases een gevoel van geborgenheid en affectie biedt. Na de eerste fase wordt de ontwikkeling van het kind overgenomen buiten familieverband en vindt socialisering plaats door leeftijdgenoten, oudere kinderen en andere ouderen.


Verder met: Moraliteit en ingroup versus outgroup