4.5 Het model als keten

EP richt zich op het inzichtelijk maken van de ketens van mechanismen die seksuele reproductie verbinden met concreet gedrag bij de mens i.c. individuele (verschillen in) besluitvorming.

 

Samenvattend is de betooglijn daarbij als volgt: 

  1. Alle zoogdieren, en daarmee ook de mens, planten zich voort door geslachtelijke i.c. seksuele reproductie
  2. Bij seksuele reproductie komen de genen van twee ouders samen, waardoor er een samenvoeging plaatsvindt bij het nageslacht van erfelijke eigenschappen
  3. Door deze samenvoeging van ouderlijke erfelijke eigenschappen vertonen die erfelijke eigenschappen bij het nageslacht (ten opzichte van ouders en elkaar) variatie
  4. De variatie in erfelijke eigenschappen wordt vergroot doordat deze eigenschappen in hun ontwikkeling interacteren met de sociale omgeving
  5. De sociale omgeving leidt in interactie met de gevarieerde genen van het nageslacht tot individuele verschillen
  6. Individuele verschillen vormen de basis op grond waarvan beide geslachten komen tot seksuele partnerkeuze
  7. Deze seksuele partnerkeuze geschiedt bij de mens door beide partners en wel op grond van een zo laag mogelijke genetische mutation load 
  8. Deze genetische mutation load komt bij de 'gezochte' partner tot uiting in fysieke, maar vooral in mentale fitness indicatoren
  9. Om deze mentale fitness indicatoren te detecteren vereist bij de zoekende partner een specifiek daartoe uitgerust brein
  10. Het menselijk brein kent daartoe drie fundamentele sociale adaptaties
  11. Deze drie fundamentele sociale adaptaties hebben betrekking op: a) paarvorming, b) coalitievorming en c) een hiërarchische positie in de ingroep
  12. Deze ingroep oefent de meeste sociale invloed uit op het indiviu gedurende een kritische periode
  13. Gedurende deze kritische periode (de eerste 36-48 maanden na conceptie) wordt door een samenspel van endogene factoren als het eigen genenpakket en de sociale beinvloeding één van de drie fundamentele adaptaties geprioriteerd
  14. Deze ene geprioriteerde adaptatie is voor het brein van het betreffende individu de basis voor een eenduidig patroon van waardebepaling
  15. Dit eenduidige patroon van waardebepaling (valuation door het wegen van opties) komt tot uiting in een, voor het betreffende individu kenmerkend motivatieprofiel 
  16. Dit motivatieprofiel stuurt via een patroon van vooral onbewust cognitieve schema's (concepten, principes, algoritmen en heuristieken) de wijze aan waarop het individu sociale relaties bij voorkeur vormgeeft en tevens als betrouwbare seksuele partner, coalitiegenoot en groepslid fungeert, diens sociale strategie
  17. Deze sociale strategie ontleent haar richting aan het streven naar sociale meerwaarde
  18. Deze sociale meerwaarde vereist enerzijds, en zorgt er anderzijds voor dat er op individueel gedragsniveau sprake is van consistentie
  19. Deze consistentie op gedragsniveau geeft het individu diens identiteit, men kan iemand hieraan herkennen, en maakt het tevens mogelijk om te komen tot ultra-sociaal georiënteerde en toch individuele besluitvorming. 

Zie ook schema in 4.6