2.2 Bio-psycho-sociale keten

Seksuele selectie speelt immers evenzeer een belangrijke rol in de ontwikkeling van het individu (Miller, 2000) en zoals het begrip al impliceert, is de ‘specifieke’ partnerkeuze daarbij het evolutionaire uitgangspunt (Bugental, 2000; Darwin, 1871; Cosmides & Tooby; 1990; Hamilton, 1964; Miller, 2000, 2007; Tooby & Cosmides, 1992; Zahavi, 1975, 2008; Zahavi & Zahavi, 1997). Deze specifieke keuze impliceert dat er verschillen bestaan in:

Het is deze dubbele functionaliteit die aan de vormgeving van ons hedendaagse brein ten grondslag ligt en die verantwoordelijk is voor, als wel mogelijk is gemaakt door de enorme groeispurt waarmee datzelfde brein is geëvolueerd. Samenvattend kan men stellen dat de combinatie van seksuele selectie als vertrekpunt en het postuleren van het brein op het kruispunt van sociale aantrekkingskracht, een geheel nieuwe route opent naar inzichten in gedrag. Dat geldt eens te meer omdat het concept partnerkeuze kan worden uitgebreid naar het gehele samenwerkingsdomein. EP richt zich op het inzichtelijk maken van de ketens van mechanismen die seksuele reproductie (als biologischfenomeen) verbinden met mentale sturingsmechanismen (als psychologisch fenomeen) in een samenwerkingscontext (als sociaal fenomeen) en uitmonden in concreet gedrag bij de mens i.c. individuele verschillen in besluitvorming (als bio-psycho-sociaal fenomeen).

De betooglijn daarbij luidt:  

  1. Alle zoogdieren, en daarmee ook de mens, planten zich voort door geslachtelijke i.c. seksuele reproductie
  2. Bij seksuele reproductie komen de genen van twee ouders samen, waardoor er een (re)combinatie plaatsvindt bij het nageslacht van erfelijke eigenschappen
  3. Door deze recombinatie van ouderlijke erfelijke eigenschappen vertoont het complete genoom, daarmee ook die erfelijke eigenschappen bij het nageslacht ten opzichte van ouders en elkaar, variatie
  4. De expressie van die gevarieerde genen wordt vergroot door epigenetische effecten en doordat ze in hun ontwikkeling interacteren met de sociale omgeving
  5. De sociale omgeving leidt in interactie met de gevarieerde genen van het nageslacht tot individuele verschillen
  6. Individuele verschillen vormen de basis op grond waarvan beide geslachten komen tot seksuele partnerkeuze
  7. Er is overigens geen sprake van een echte 'vrije' keuze, maar van een onbewust streven van beide kanten naar een zo groot mogelijk genetisch verschil tussen partners om te komen tot een zo laag mogelijke genetische mutation load 
  8. Deze lage genetische mutation load komt zowel bij de 'gezochte' als zoekende partner tot uiting in de aan- of afwezigheid van bepaalde fysieke, maar vooral mentale kenmerken die wijzen op goede genen, de fitness indicatoren
  9. Om deze mentale fitness indicatoren bij de ander te kunnen detecteren, vereist bij de zoekende partner een specifiek daartoe uitgerust brein
  10. Het menselijk brein kent daartoe drie fundamentele sociale adaptaties
  11. Deze drie fundamentele sociale adaptaties hebben betrekking op: a) paarvorming, b) coalitievorming en c) een hiërarchische positie in de ingroep
  12. Deze ingroep oefent de meeste sociale invloed uit op het individu gedurende een kritische periode
  13. Gedurende deze kritische periode (de eerste 36-48 maanden na conceptie) wordt door een samenspel van endogene factoren als het eigen genenpakket en de sociale beinvloeding één van de drie fundamentele adaptaties geprioriteerd
  14. Deze ene geprioriteerde adaptatie is voor het brein van het betreffende individu de basis voor een eenduidig patroon van waardebepaling
  15. Dit eenduidige patroon van waardebepaling (valuation door het wegen van opties) komt tot uiting in een, voor het betreffende individu kenmerkend motivatieprofiel 
  16. Dit motivatieprofiel stuurt via een patroon van vooral onbewust cognitieve schema's (concepten, principes, algoritmen en heuristieken) de wijze aan waarop het individu sociale relaties bij voorkeur vormgeeft en tevens als betrouwbare seksuele partner, coalitiegenoot en groepslid fungeert, diens sociale strategie
  17. Deze sociale strategie ontleent haar richting aan het streven naar sociale meerwaarde
  18. Deze sociale meerwaarde vereist enerzijds, en zorgt er anderzijds voor dat er op individueel gedragsniveau sprake is van consistentie
  19. Deze consistentie op gedragsniveau geeft het individu diens identiteit, men kan iemand hieraan herkennen, en maakt het tevens mogelijk om te komen tot ultra-sociaal georiënteerde en toch individuele besluitvorming. 

Meer weten? Zie Meta-theoretisch kader