4. Glossarium

V02 (1 mei 2021)

Dit glossarium is samengesteld om een aantal begrippen die in de thesis wordt gebruikt te verduidelijken. Er is een selectie gemaakt op basis van onderwerpen waarvan wordt verwacht dat niet alle lezers hiermee (voldoende) bekend zijn. In de tekst worden begrippen die elders in het glossarium worden toegelicht, in rood weergegeven.

Adaptatie Een adaptatie is een geëvolueerde, universele, erfelijke, soort-specifieke eigenschap van een soort waardoor de overlevings- en reproductiekansen van het individu in een specifieke omgeving toenemen. De adaptatie bestaat uit een functioneel betrouwbaar, efficiënt en accuraat ontwerp als gevolg van natuurlijke en seksuele feedback processen om een bepaald probleem op te lossen. Aan de hand van het ontwerp van de adaptatie, is er sprake van grote eenvormigheid. Kortom, form follows function (Sullivan, 1896). Als het aan deze voorwaarden voldoet, kan het niet door toeval zijn ontstaan (Lim, Tooby & Cosmides, 2005; Tooby & Cosmides, 1992; Williams, 1966). 

 

Alloparenting Bij alloparenting of coöperatieve opvoeding nemen niet-reproductieve individuen (tijdelijk) de zorg over van nakomelingen van anderen. Bij zoogdieren wordt dit systeem aangetroffen bij ca. 1% van (overwegend serieel) monogame zoogdieren. Alloparenting is relatief uniek omdat de meeste soorten niet toestaan dat hun jongen door anderen worden aangeraakt. Alloparenting is gerelateerd aan 1) intensieve samenwerking van de soort, 2) veeleisende ouderinvestering, 3) laag aantal nakomelingen, 4) opvoeding in hoge bevolkingsdensiteit, 5) gedeelde intentionaliteit (Burkart, Hrdy & Van Schaik, 2009; Hrdy, 2009; Lucas & Clutton-Brock, 2016; Riedman, 1982).

Antropoceen De voorgestelde naam antropoceen heeft betrekking op het tijdperk vanaf ca. 11.700 jaar geleden (Crutzen, 2000) toen de mens, na het glaciaal, een sedentair bestaan opbouwde en waarin het klimaat, de atmosfeer en de dier- en plantensoorten de gevolgen ondervonden van menselijke activiteiten.

Assortative mating Ook wel homogamie genoemd, betreft een adaptatie die betrekking heeft op seksuele selectie bij partnerkeuzes waarbij onbewust wordt gekozen voor overeenkomstige eigenschappen, in plaats van willekeur. Overigens manifesteert homogamie zich zowel bij seksuele als vriendschappelijke relatievorming waarbij onbewust op dezelfde eigenschappen wordt gelet hetgeen leidt tot ingroup en outgroup gedrag. De keuze is gebaseerd op overeenkomstige fysieke, mentale, genetische en morele eigenschappen en sociale indicatoren zoals godsdienst, opleiding, taalgebruik, intelligentie, kleding enz. De adaptatie heeft betrekking op zowel de langzame als de snelle life history strategie (Baron-Cohen, 2006; Figueredo & Wolf, 2009; Fincher & Thornhill, 2008; Keller et al., 2013; McPherson et al., 2001; Thiessen & Gregg, 1980)

Brein

De functie van het brein Het brein is als functionaliteit geëvolueerd voor het verwerken en berekenen van zowel interne als externe informatie om specifieke activiteiten te reguleren voor de bevordering van de fitness van het individu. Dat betekent dat de evolutie van het brein de functies en omvang heeft ten gevolge van de sociale en ecologische selectiedruk van de voorouders van de mens (Tooby & Cosmides, 1995). Overigens gaat de evolutie van het brein volgens verwachting nog steeds door zoals blijkt uit de afname van de omvang van het brein in de afgelopen ca. 9.000 jaar met ca. 10%. De afname valt samen met het begin van de landbouw en de veeteelt (Bednarik, 2014; Lahr et al., 2011).

Het modulaire brein EP gaat uit van een modulair brein (modularity of mind) dat is uitgerust met vele, afzonderlijke ‘modules’ bestaande uit neurale netwerken van biljoenen gespecialiseerde neuronen (Cosmides & Tooby, 1997). De werking van een module kan het beste vergeleken worden met een gespecialiseerd computer softwareprogramma. Iedere module volgt domein-specifieke procedures, content-gerelateerde processen. Een beperkt aantal domain-general mechanismen leggen verbindingen tussen de gespecialiseerde mechanismes voor het oplossen van nieuwe problemen (Lim, Tooby & Cosmides, 2011; Samuels, 2006; Williams, 1966; Körding & Wolpert, 2004).

Het voorspellende brein Het voorspellende brein (predictive brain) is een systeem ter voorkoming van entropie van het organisme. Het brein vormt zich een beeld van de wereld en vergelijkt dat met de inkomende data van de zintuigen. Vervolgens maakt het brein een Bayesiaanse waarschijnlijkheidsanalyse in relatie tot de fundamentele motivatie en de fitness van het individu en stuurt met de uitkomst van de berekeningen het gedrag van het individu aan. 

Cognitie Deze functionaliteit (verwerken van informatie, vergaren van kennis, aanleren van vaardigheden) is specifiek gerelateerd aan de prefrontale cortex. De prefrontale cortex zorgt ervoor dat een niet-arbitraire relatie ontstaat tussen perceptie en actie. De evolutie van cognitie hangt samen met de toenemende sociale druk van het groepsleven en in het bijzonder seksuele selectie. Daarmee is cognitie geen culturele uitvinding maar een biologische functie die evolueerde tijdens de ontwikkeling van de mens in de afgelopen ca. 1,8 miljoen jaar. 

 

Cognitive niche Hoewel vrijwel alle soorten hun omgeving aanpassen aan hun behoeften, is één van de onderscheidende, innovatieve eigenschappen de geavanceerde manier waarop de mens hiervan gebruik maakt. De specifieke eigenschap van de mens hebben Tooby en DeVore (1985) de cognitieve niche genoemd. Niche constructie of niche engineering (Sterelny, 2000) vindt plaats als een organisme zijn omgeving of zichzelf aanpast (Laland et al., 2007; Odling-Smee et al., 1996; Odling-Smee, 2010), een proces dat Dawkins (1982) de extended phenotype noemt. De mens heeft optimaal gebruik kunnen maken van zijn toenemende cognitieve vermogen en nam daarmee een voorsprong op de evolutie: productie en gebruik van werktuigen en wapens, reductie van informatiekosten door taal, voedsel koken, het omzeilen van afweermechanismen van planten en dieren, bederf van voedsel voorkomen.

DNA-methylatie Een epigenetisch proces waarbij een methylgroep (CH3) tijdens of na de transcriptie wordt toegevoegd aan een histon binnen het DNA-molecuul waardoor het de DNA-structuur verandert.   

Entropie De term entropie, de orde en wanorde van energie, de 2de wet van de thermodynamica, is de leer van de warmte en de omzetting daarvan in alle mogelijke vormen van energie. De 2de wet van de  thermodynamica’ is de 1ste wet van evolutiepsychologie en is met het voorspellende brein van groot belang bij de verwerking van informatie (Tooby, Cosmides & Barrett, 2003).

Environment of Evolutionary Adaptedness (EEA) Het EEA heeft betrekking op de verschillende periodes in de evolutie waarin zich verschillende adaptaties ontwikkelden. Het EEA is dus niet gebonden aan een specifieke tijd of plaats. Vanaf het Pleistoceen heeft het EEA betrekking op specifiek menselijke adaptaties. Het lijkt er op dat de sedentaire leefstijl van de mens in de afgelopen ca. 11.700 jaar door selective sweeps grote veranderingen teweeg heeft gebracht (Bowlby, 1964; Miller, 2011; Foley, 2005; Narvaez, Panksepp, & Schore, 2010; Schore, 2012).

Extended phenotype De door een organisme ontwikkelde, externe adaptatie, gericht op zijn natuurlijke of sociale omgeving, om zijn reproductie te bevorderen[1]. Voorbeelden zijn een beverdam, een spinnenweb, het prieel van een prieelvogel (Dawkins, 1982/1999, 2004), een handbijl (Miller, 2000) maar ook, zoals in de moderne maatschappij, beeldende kunst, muziek, taal, kleding, accessoires enz. (Dixon, 2019; Miller, 2000; Ridley, 2003).

Fitness De fitness van een individu heeft geen betrekking op een eigenschap, maar het effect van zijn handelingen. Vanuit de evolutie bezien, is overleving van het individu uitsluitend van belang in relatie tot zijn reproductieve succes. Dat wil zeggen dat de fitness van het individu wordt gerelateerd aan zijn vermogen te overleven om zijn genen te kunnen doorgeven aan een volgende, succesvolle generatie. 

Inclusive fitness Inclusieve fitness is het centrale element van de algemene evolutietheorie (Buss, 2004). Dit fenomeen houdt in dat het reproductieve succes van het individu tevens is gerelateerd aan zijn acties om het reproductieve succes van zijn familieleden te bevorderen. Daarbij telt de mate van genetische verwantschap met het individu een rol. Zo geldt bijvoorbeeld dat voor broers en zusters een verwantschap telt van 0,50%, 0,25% voor grootouders en neefjes en nichtjes enz. (Hamilton, 1964) 

Fitness en genetische belasting De fitness van een individu is (mede) afhankelijk van zijn genetische belasting (genetic load). De fitness is het verschil tussen de fitness van het gemiddelde genotype in een populatie en de fitness van de beste of meer optimale fenotype binnen een bepaalde sociale omgeving. Het fenotype met een lage genetische ‘belasting’ heeft in een populatie, ceteris paribus, de meeste kans op succesvolle reproductie. 

Form follows function In EP is form follows function een belangrijk onderwerp omdat de functie als gevolg van de feedback processen en entropie van een adaptatie de vorm bepalen. De vorm van de psychologische en fysieke eigenschappen van een organisme evolueren aan de hand van de sociale en ecologische omgeving waarin zij zich bevinden waarbij de functies bepalend zijn voor de vorm van de eigenschappen (Bauer et al., 2012; Cacioppo et al., 1999). Daarvan is seksuele selectie een goed voorbeeld (Buss, 2016). Een gedetailleerde theorie over de adaptieve functies maakt voor de computational theory of mindduidelijk welke modules zeer waarschijnlijk aanwezig zijn en omdat vorm de functie volgt, uit welke ontwerp-elementen de modules bestaan (Cosmides & Tooby, 1995). 

 

Fundamentele motivatie De thesis postuleert dat seksuele selectie als fundamentele motivatie functioneert vanaf het moment dat soorten zich gingen bewegen, vermoedelijk al in het Ediacarium, 635-541miljoen jaar geleden. Vervolgens zijn in verschillende fasen empathie, samenwerking en hiërarchie geëvolueerd en prioriteert het brein één van de drie afhankelijk van de interactie tussen de genen van het individu en de sociale omgeving waarin hij terechtkomt. Hierdoor ontstaat al op vroege leeftijd een fundamentele motivatie. 

Genoom De totale genetisch samenstelling van een organisme. De menselijke genoom bestaat uit naar schatting ca. 23.000 - 25.000 genen. 

Handicap principe Het handicap principe van Amotz Zahavi (Gräfen, 1990; Smith, 1991; Zahavi, 1975, 1977, 2003, 2008; Zahavi & Zahavi, 1997) berust op de theorie dat de fitness indicatoren (signalen) van de ‘adverteerder’ alleen betrouwbaar zijn als de investering ten koste gaat van de fitness van het individu zodat individuen met een lagere fitness zich die signalen niet kunnen permitteren.

Holoceen Het tijdvak vanaf 11.700 geleden tot heden, het moment waarop het klimaat na de laatste ijstijd warmer werd en enkele groepen jagers-verzamelaars een sedentair bestaan gingen leiden.

Inclusive fitness Inclusieve fitness is het centrale element van de algemene evolutietheorie (Buss, 2004). Dit fenomeen houdt in dat het reproductieve succes van het individu tevens is gerelateerd aan zijn acties om het reproductieve succes van zijn familieleden te bevorderen. Daarbij telt de mate van genetische verwantschap met het individu een rol. Zo geldt bijvoorbeeld dat voor broers en zusters een verwantschap telt van 0,50%, 0,25% voor grootouders en neefjes en nichtjes enz. (Hamilton, 1964) 

Ingroup vs. Outgroup Dit onderscheid is de basis van het ‘wij’ en ‘zij’ denken. ‘Wij’ delen de gelijke waardes en normen met elkaar, in tegenstelling tot ‘zij’. Deze functionaliteit structureert het gedrag van mensen  op het gebied van huwelijk, werk, adviezen, ondersteuning, het overdragen van informatie, sociale uitwisseling, en feitelijk alle vormen van relaties (McPherson, Smith-Lovin & Cook, 2001; Paladino & Castelli, 2008). De sociale netwerken van mensen vormen daarmee een sociodemografische schets, een indicatie van het gedrag en de interpersoonlijke relaties van mensen en daarmee van hun motievatieprofiel en hun sociale strategie. Verschillen worden aangegeven door symbolische ‘grenzen’ zoals taal, geloof, politiek, kleding en de vele andere aspecten waarmee mensen zich kunnen omgeven (Turchin, 2009). Het is één van de gevolgen van stratificatie, een anti-egalitair aspect van een hiërarchische samenleving die onherroepelijk leidt tot ongelijkheid. Het heeft tevens betrekking op de individuele benadering of ontwijken op basis van psychologische en motor response processen. De oorsprong van wij vs zij moet worden gezocht in de angst voor vreemdelingen in het Pleistoceen (Paladino & Castelli, Perdue et al., 1990; 2008; McDonald & Pizzari, 2016; McPherson, Lovin-Smith & Cook, 2001). 

Intelligentie In de 80er jaren ontwikkelde Howard Gardner zijn evolutionaire theorie van multiple intelligences (MI). Volgens Gardner is er sprake van zeven aangeboren ‘soorten’ intelligentie op verschillende gebieden: taal, wiskundig, ruimtelijk, beweging, intra- en interrelationeel en muzikaal. 

Life history theory (LHT) Bij het bepalen van een reproductiestrategie wordt in EP mede uitgegaan van life-history theory (LHT). LHT bestaat uit een r-K continuüm waarbij het individu een strategie volgt die is gericht op een korte termijn strategie met een hoge productie en weinig tot geen aandacht voor het nageslacht. Aan de K-zijde van de schaal daarentegen, volgt het individu een lange termijn strategie met een lage productie en veel aandacht voor het nageslacht. De mens als soort volgt in principe een K-strategie. Binnen de soort kan een individu echter een r-strategie of een K-strategie volgen. De (onbewuste) r-K afwegingen van het individu worden veroorzaakt door genetische en/of omgevingsfactoren die door het individu al dan niet als risicovol worden ervaren. In geval het individu de afweging maakt dat er sprake is van hoge risico’s, kan hij er (onbewust) voor kiezen anderen te exploiteren (Reynolds & McCrea, 2016) of extreme risico’s te nemen, het young male syndrome  (Daly & Wilson, 1985).

MAOA (monamine-oxydase A) Verschillende onderzoekers (Kim-Cohen et al. 2006; Moffit en Caspi, 2002) hebben er op gewezen dat de reactie van nakomelingen van een gezinscontext ook samenhangt met het MAOA-enzym (monoamine-oxidase A) dat de neurotransmitters serotonine, noradrenaline en in mindere mate dopamine afbreekt. Deze stoffen zijn niet alleen bij asociaal gedrag zoals agressie betrokken, maar ook bij gedragsproblemen zoals onder andere attentie, seksualiteit, leren, beloning en verslaving.

 

Mentale indicatoren van fitness Het  brein van de mens is door zijn omvang en (ook genetische) complexiteit zijn voornaamste seksuele ornament. In seksuele selectie is het voor het individu, naast enkele specifieke fysieke aspecten, belangrijk zijn mentale fitness te kunnen aantonen. De mentale fitness is tevens een indicatie van zijn algehele stabiele gezondheid.

Mind In het Nederlands wordt het Engelse mind veelal vertaald als geest of ziel. Dit heeft echter wat deze thesis betreft een (te) filosofische c.q. gelovige bijsmaak zodat in deze thesis het Engelse woord ‘mind’ handhaaft of het woord ‘bewustzijn’ gebruikt.

Motivatieprofiel De hypothese gaat er van uit dat de ultrasociale mens in principe beschikt over drie verschillende fundamentele psychologische seksuele strategieën: a) een strategie die wordt gestuurd door het empathische zoogdier vermogen van de mens, b) een strategie die wordt gestuurd door het wederzijdse altruïsme van de mens en c) een strategie die wordt gestuurd door het verwerven van een dominante of prestigieuze positie in de groep. Het brein prioriteert één van de drie strategische eigenschappen als fundamentele motivatie zodat het individu daarin kan excelleren. Het brein prioriteert één van  de drie strategieën afhankelijk van de interactie tussen de genen en omgevingsfactoren in de eerste ca. 48 maanden na de conceptie van het individu. 

Mutual mate choice Bij de mens is, als serieel monogame soort, sprake van wederzijdse keuze ofwel mutual mate choice (MMC). 

Nash equilibrium Het Nash equilibrium is een speltheorie geïntroduceerd in 1950 door de wiskundige John Nash. De theorie houdt in dat alle spelers rekening houden met de besluitvorming van de andere spelers. Alle spelers analyseren welke keuzes er gemaakt kunnen worden als iedere speler rekening houdt met de besluitvorming van alle andere spelers. 

 

Natuurlijke en seksuele selectie Natuurlijke en seksuele selectie (Darwin, 1859, 1871) hebben het vermogen op basis van natuurlijke en seksuele reproductie, complexe, precieze, efficiënte en complexe mechanismen te produceren. Evolutionaire processen zoals mutaties, genetische drift en pleiotropische effecten (meer dan één fenotypisch effect) kunnen van invloed zijn op het fenotype. 

Ontwikkelingspsychologie Terwijl seksuele selectie zich pas vanaf de pubertijd manifesteert, is vanaf de conceptie overleving in de voorgaande periode essentieel in de ontwikkeling van het individu. Juist tijdens de aanloop naar de pubertijd, treden er talloze fysieke en mentale veranderingen en bedreigingen op in de ontwikkeling van het kind. Dat is de reden dat het brein van het kind een mechanisme activeert op basis van de interactie tussen de genen en de omgeving waarmee de basis wordt gelegd voor fundamentele motivatie dat zijn sociale strategie aanstuurt[2].

Out of Africa 1 en 2 De Out-of-Africa theorie (OOA) postuleert dat een groep Homo erectus ca. 1,8 miljoen jaar geleden voor de eerste maal het Afrikaanse continent verliet, het zogenoemde Out-of-Africa One. Deze groep verspreidde zich over onder andere West- en Oost Azië en Java. Out-of-Africa Two vond plaats ca. 70.000 jaar geleden toen Homo sapiens al misschien ca. 200.000 jaar bestond. Dat betekent dat 100.000 jaar geleden de wereld werd bevolkt door drie verschillende levende menssoorten: Homo erectus, de Homo florensis en Homo sapiens. Misschien moeten daar Homo Neanderthalis en Homo Denisova aan worden toegevoegd. De Homo Heidelbergensis was rond 200.000 voor het begin van de jaartelling al uitgestorven. 

Persoonlijkheidspsychologie

Nomothetisch benadering (generaliserend, kwantitatief) streeft naar het ontdekken van algemene patronen die voor verschillende personen op verschillende tijdstippen en verschillende plaatsen gelden.

Idiografische benadering (specifiek, kwalitatief) Probeert alleen uitspraken te doen over individuele personen op een zeker tijdstip en op een zekere plaats.

Pleistoceen en Holoceen Het Pleistoceen is de periode van het Onder, Midden en Boven Pleistoceen dat loopt van 2.58 miljoen tot 11.700 duizend jaar voor het begin van onze jaartelling. Daarbij sluit het Boven Pleistoceen aan op het Holoceen, de periode van 11,7 duizend jaar geleden tot heden.

 

Selection equilibrium Een populatie die in een zeker evenwicht verkeert waarbij meerdere equilibria mogelijk zijn. De samenstelling wordt bepaald door genetische evolutie, culturele geschiedenis of individuele leerprocessen.  

 

Sociale strategie De sociale strategie theorie van deze thesis houdt in dat het individu onbewust een gedrag manifesteert dat is gebaseerd op zijn fundamentele motievatieprofiel. Het doel van de sociale strategie is, door het beïnvloeden van anderen, reproductief succes door het verhogen van zijn inclusieve fitness.

Social uitwisseling (social exchange) Sociale uitwisseling is het proces van wederzijds altruïsme dat de basis vormt van samenwerking tussen mensen. Het is één van de meest fundamentele aspecten van de ultrasociale mens. Sociale uitwisseling kan impliciet of expliciet zijn, direct of uitgesteld,  of meer complexe (onder)handelingen inhouden (Barkow, Tooby & Cosmides, 1992; Buss, 2004/2016; Cosmides, 1985; Cosmides & Tooby, 2015).

 

Sociale brein hypothese De sociale brein hypothese is het onvermogen van de mens zich gemiddeld de complexe eigenschappen van meer dan ca. 150 verschillende individuen te kunnen herinneren. In aansluiting op de Theory of Mind is het grote neocortex deel van het menselijke brein tevens bedoeld om anderen te begrijpen. Het intens sociale bestaan van de mens vereist dat het individu de complexe interactie van anderen kan begrijpen, voorspellen en manipuleren. 

Storytelling Deze typische eigenschap van de ultrasociale mens wordt verklaard uit de behoefte aan kennis over en vooral de negatieve ervaringen van en met anderen. Storytelling vanuit een evolutionair perspectief verklaart het intensieve gebruik en de behoefte aan mobiele telefoons, sociale media en de intensieve belangstelling voor verhalen en roddels over anderen, over de handel en wandel van meer of minder bekende beroemdheden van de tv, de film of de sport (De Backer & Fisher, 2012). Het verklaart ook waarom de mens wel 20% van zijn beschikbare tijd doorbrengt in het gezelschap van, of in contact met, anderen (Distel et al., 2010). 

Selective sweeps Selective sweeps houdt een snelle toename in van mutaties gericht op de verhoging van de fitness van het individu. Organismen kunnen zich vaak verrassend snel aanpassen aan evolutionaire problemen. Het lijkt waarschijnlijk dat de psychologische evolutie van de mens in het Holoceen is onderworpen aan sterke selectieve sweeps. Dit kan voorkomen door een snelle toename van de populatie densiteit, meer intensieven sociale en seksuele competitie, snel toenemende ziekteverwekkers, meer risico’s door technologie en meer selectieve en assortatieve partnerkeuze. Deze ontwikkelingen hebben sneller plaatsgevonden in de afgelopen paar honderd generaties dan in het gehele post-Pleistoceen. Het voorgaande betekent wellicht een gedeeltelijke herziening van het EEA en het evolutionaire evenwichtsmodel (Messer & Petrov, 2013; Miller, 2011). 

 

Two-fold cost of males Seksuele reproductie ontstond ca. 1,2 miljard jaar geleden. In de 70er-jaren van de vorige eeuw toonde John Maynard Smith (1971) aan dat een mutatie met als gevolg seksuele reproductie ten koste gaat van de effectiviteit van de reproductie. Door aseksuele selectie neemt een soort tweemaal zo snel zou toe als een seksueel reproducerende soort. Die toename is het gevolg van het feit dat de moeder niet in zoons investeert.

Zelf-domesticatie

Recentelijk (2014) kwam een groep van ca. 800 wetenschappers bijeen om te discussiëren over de mogelijkheid dat de mens zich in de loop van zijn geschiedenis zelf heeft gedomesticeerd  (Darwin, 1871; Gibbons, 2014; Hare, 2017; Ridley, 1994). De mens vertoont allerlei kenmerken van fysieke en mentale neotenie hetgeen doet vermoeden dat de zelf-domesticatie al 500.000 – 100.000 jaar geleden heeft plaatsgevonden toen ook taal en cultuur zich begonnen te ontwikkelen. 

 

Meer weten? Zie Inleiding 

 

 

 

 

 



[1] Dawkins (1982/1999, 2004) definieert de extended phenotype als All effects of a gene upon the world.

[2] Zie onder andere het schema Life history perspective