x.Glossarium

Dit glossarium is opgesteld om een aantal begrippen die in het boek en de thesis wordt gebruikt te verduidelijken. Het glossarium kan onmogelijk alle onderwerpen van een toelichting voorzien. Vandaar dat een selectie is gemaakt op basis van onderwerpen waarvan wordt verwacht dat de lezer hiermee minder bekend is.

Adaptatie 

Adaptaties zijn het gevolg van evolutionaire processen in het Environment of Evolutionary Adaptedness (EEA) die tot gevolg hebben dat een individu beter is aangepast aan de omstandigheden van zijn omgeving waardoor hij een betere overlevings- en reproductiekans heeft in een specifieke omgeving. Om na te gaan of iets een adaptatie is, moet het aan de volgende criteria voldoen: het moet evolutionair evident zijn ontworpen zijn om een bepaald probleem op te lossen (functioneel ontwerp) met de volgende eigenschappen: betrouwbaar, efficiënt en accuraat (Williams, 1966). Als een adaptatie aan deze criteria voldoet, kan het niet door toeval zijn ontstaan (Tooby & Cosmides, 1992). Kortom, Form follows function (Sullivan, 1896). 

 

Agency

Een begrip uit o.a. de filosofie en de sociologie dat verwijst naar het vermogen of de mogelijkheid van een individu om binnen een gegeven omgeving zelfstandig actie te ondernemen of (uit vrije wil) beslissingen te nemen (Carmichael, 2016).

Alloparenting 

In tegenstelling tot veel andere soorten, werd het nageslacht van de mens tijdens het Pleistoceen niet alleen door de moeder opgevoed, maar door een aantal verschillende oudere en jongere familieleden en groepsgenoten. Alloparenting, of cooperative breeding zoals het ook wel wordt genoemd, is vrij uniek omdat de meeste soorten niet over de typisch psychologische eigenschap van de mens om samen te werken beschikken, het zogenoemde shared intentionality (Burkart, Hrdy & Van Schaik, 2009).

Assortative mating

Partnerkeuze gebaseerd op overeenkomstige eigenschappen, vooral op fysiek, mentaal en moreel gebied, inclusief milieu, godsdienst enz. 

Birds of a feather/Ingroup vs Outgroup

De individuele benadering van het benaderen of ontwijken op basis van psychologische en motor response processen (Paladino & Castelli, 2008; McPherson, Lovin-Smith & Cook, 2001).

Cognitie

Cognitie is de prefrontale cortex functionaliteit die er voor zorgt dat een niet-arbitraire relatie ontstaat tussen perceptie en actie. Daarmee is cognitie geen culturele uitvinding maar een biologische functie die zich ontwikkelde tijdens de evolutionaire geschiedenis van de mens. Het menselijk brein ontdekt (passief/actief en intern/extern) ontvangen informatie via biologisch ontwikkelde systemen, codeert deze en berekent de uitkomst aan de hand van natuurlijke ontwikkelde algoritmes waarna het motor systeem dit omzet in gedrag.  Zoals Cosmides (1985) stelt: “Darwinian algorithms are learning mechanisms keyed to focus attention on those dimensions of a 

situation that are evolutionarily important, and operate on them with inferential procedures that embody an appropriate evolutionary strategy . Without Darwinian algorithms, nothing could be learned; experience could not be structured to guide action along adaptive paths.”

 

Cognitive niche, niche constructie of niche engineering

Eén van de meest onderscheidende, innovatieve eigenschappen van de mens ten opzichte van andere soorten is het gebruik van informatie voor het reguleren van geïmproviseerd gedrag in relatie tot de lokale omgevingscondities. Deze eigenschap hebben Tooby en DeVore (1985) de cognitieve niche genoemd (Cosmides & Tooby, 2000).

 

Niche constructie of niche engineering (Sterelny, 2000) vindt plaats als een organisme zijn omgeving of zichzelf aanpast (Laland et al., 2007). Het alternatief is niche management De mens heeft, anders dan andere soorten, optimaal gebruik kunnen maken van zijn toenemende cognitieve vermogens waardoor als het ware een voorsprong op de evolutie werd genomen. Factoren die daarbij een rol spelen zijn onder andere: het produceren en het gebruik van een uitgebreid arsenaal aan werktuigen en wapens; reductie van informatiekosten door het gebruik van taal en het aanpassen van de omgeving door middel van extended phenotypes en door in te grijpen op de omgevingsfactoren van de lokale natuurlijke omgeving het verlagen van de fitness kosten ( Dawkins, 1982); uitbreiding van het dieet door koken en het omzeilen van afweermechanismen van planten en dieren; het vermogen om voeding tegen bederf te beschermen.

DNA-methylatie

DNA-methylatie is een epigenetisch proces waarbij een methylgroep (CH3) tijdens of na de transcriptie wordt toegevoegd aan een histon binnen het DNA-molecuul waardoor het de DNA-structuur verandert.   

Evolutiepsychologie en entropie

De term entropie, de orde en wanorde van energie, is de tweede wet van de thermodynamica, de leer van de warmte en de omzetting daarvan in alle mogelijke vormen van energie. In de evolutie is ‘De eerste wet van evolutiepsychologie de tweede wet is van  thermodynamica’ (Tooby, Cosmides & Barrett, 2003).

Environment of Evolutionary Adaptedness (EEA)

Dit zijn de verschillende periodes in de menselijke evolutionaire geschiedenis waarin zich verschillende adaptaties ontwikkelden. Het EEA is dus niet gebonden aan een specifieke tijd of plaats maar betreft de periode van het Pleistoceen (Bowlby, 1964; Foley, 2005; Narvaez, Panksepp, & Schore, 2010; Schore, 2012) en het Holoceen.

Epigenesis

Epigenesis ofwel epigenetic control mechanisms, of epigenetic control systems, is het proces dat de basis vormt van plasticiteit en kanalisering die duurzame effecten hebben op de ontwikkeling van prokaryoten en eukaryoten. Op celniveau is epigenesis van invloed op functie en differentiatie. Bij meer complexe biologische organisatie genereren epigenetische mechanismen context-afhankelijke duurzame interacties tussen groepen cellen met als gevolg fysiologische en morfologische veranderingen. Epigenetic inheritance is een component van epigenesis dat optreedt als fenotypische variatie optreedt in volgende generaties maar niet is gebonden aan DNA basissequenties. (Jablonka & Raz, 2009).

 

Epigenesis zijn erfelijke eigenschappen zonder dat zij verklaard kunnen worden uit veranderingen in de DNA sequentie. Het is van oorsprong een begrip uit de embryologie dat verwijst naar de ontwikkeling van de foetus. De visie is dat deze ontwikkeling bestaat uit een zelf organiserend proces dat betrekking heeft op de interactie tussen genen en omgevingsfactoren van het individu (Dawkins, 1982/1999, The extended phenotype). Jablonka en Lamb (2005) definiëren epigenesis als “the transfer of information from cell to cell.” Evolutiebiologie is sinds de 90er jaren sterk in beweging met in 2008 het congres van de ‘Altenberg 16’ dat in 2009 culmineerde in The Extended Synthesis (ES) als een overzicht van nieuwe theoretische en praktische ontwikkelingen in het veld sinds The Modern Synthesis van de vorige eeuw. In ES wordt o.a. aandacht besteed aan evo-devo (evolutionary developmental biology, the study of the relation between evolution and development), met als voorbeelden ‘niche construction’ en ‘niche inheritance’ (Odling-Smee, 2009). Zie ook Laland et al., 2015.

Extended phenotype

De door een organisme ontwikkelde adaptatie die gericht zijn op zijn natuurlijke of sociale omgeving om zijn overleving en reproductie te bevorderen. Dat kunnen geëvolueerde eigenschappen zijn zoals een beverdam, een spinnenweb, het prieel van een prieelvogel of een handbijl.

Dawkins (1982/1999, 2004) definieert de extended phenotype als All effects of a gene upon the worldTraditioneel wordt het effect van het gen gezien als de invloed op het lichaam waarin het verblijft. Volgens Dawkins gaan de genen een stap verder en haalt voorbeelden aan als bevers die een dam bouwen. Het effect van een gen is, zoals altijd, in vergelijking met de allelen van het individu. Praktisch gezien is het van belang de invloed van de extended phenotype te beperken tot gevallen waarbij de overlevingskansen (en seksuele selectie) positief of negatief worden beïnvloed. Voor de mens rekent deze thesis het bedenken en produceren van o.a. werktuigen, wapens, accessoires, huizen e.d. tot extended phenotypes omdat ze gezien kunnen worden als adaptaties ten behoeve van de replicators (allelen). Variaties in replicators hebben ook een causaal verband met goede of slechte variaties in de werktuigen e.d. van de mens die de kansen voor het individu verhogen of verlagen.  

Fitness en inclusive fitness

Fitness is in feite een misleidende term (Dawkins, 1982/1999) omdat de essentie van fitness is dat de drager van de genen van zijn voorouders in staat is gebleken deze direct (fitness) door te geven aan zijn eigen nazaten of het indirect doorgeven van genen door zijn familieleden aan hun nazaten (inclusive fitness). Dit is de revolutionaire theorie van William Hamilton (1964, deel 1 en 2) die de inclusive fitness theory wordt genoemd. Dit houdt in dat het individu zich meer altruïstisch gedraagt naarmate de genetische relatie intiemer is en minder naarmate de genetische afstand groter is. 

Fitness en genetische belasting

Fitness en genetische belasting (genetic load) is het verschil tussen de fitness van het gemiddelde genotype in een populatie en de fitness van de beste of de meest optimale genotype. Het gemiddelde individu in een populatie met een lage genetische ‘lading’ heeft, onder dezelfde omstandigheden, de meeste kans op overlevende nakomelingen. Een individu met een hoge(re) genetische belasting daarentegen maakt minder c.q. geen kans op gezonde nakomelingen o.a. in de vorm van (een) erfelijke ziekte(n).

 

Geheugen 

Declaratief en impliciet 

Het geheugen ondersteunt het besluitvormingsproces door informatie ter beschikking te stellen over voorgaande ervaringen die voordelen dan wel nadelen in relatie tot fitness opleverden. Aan de hand van de domein-specifieke besluitvormingsprocessen van het brein, bij voorbeeld om een keuze te moeten maken voor het vinden van een partner of een maaltijd, bestaan er wellicht evenveel gespecialiseerde geheugens (Klein, Cosmides & Tooby, 2002). Deze geheugens werken overigens voor een belangrijk deel wel samen. Zo is het lange termijn geheugen ingedeeld in het declaratieve of expliciete geheugen waarvan de kennis actief kan worden opgeroepen en het impliciete of procedurele geheugen dat niet toegankelijk is. Het expliciete geheugen is dan weer opgedeeld in het episodisch geheugen en het semantisch geheugen.

Episodisch 

Het episodisch geheugen stelt iemand in staat om zich ervaringen uit het verleden te herinneren, vooral met als doel om toekomstscenario’s te ontwikkelen. Dit betekent overigens niet dat ervaringen uit het verleden (altijd) juist worden weergegeven omdat het brein actie wil en daarmee toekomstgericht is (Boyer, 2009). Voor toekomstscenario’s geldt dat alleen ervaringen uit het verleden die de fitness verhogen van belang zijn (Suddendorf, 2010). Overigens kunnen we ons ook toekomstscenario’s van anderen voorstellen (Schacter et al., 2012). Episodische herinneringen is geen unieke, menselijke eigenschap maar heeft een lange, evolutionaire geschiedenis en wordt ook bij andere zoogdieren en vogelsoorten gevonden (Allen & Fortin, 2013) 

Semantisch 

Het semantische geheugen slaat feitenkennis op over de wereld om ons heen. Toch speelt het semantische geheugen ook een rol bij toekomstscenario’s omdat dit van belang is (Schacter et al, 2012) voor tijd, plaats en ruimte.

 

General evolutionary theory en Inclusive fitness

Natuurlijke selectie is, volgens de descent with modification theorie van Charles Darwin en Alfred Russell Wallace, breed geaccepteerd als het causale mechanisme van evolutionaire verandering,. Dit houdt in dat,  gegeven de verschillen (genetisch en fenotypisch) tussen individuen van een populatie, niet alle individuen op gelijke wijze op een gegeven tijdstip zullen bijdragen tot de samenstelling van de populatie. Specifieke beperkingen van de (sociale en ecologische) omgeving, komen tot uitdrukking in wat selectiedruk wordt genoemd waardoor zich specifieke adaptaties ontwikkelen. 

Helaas heeft Spencers’ uitspraak Survival of the fittests voor veel verwarring gezorgd: niet het individu zelf is aan verandering onderhevig maar de genen, de units of selection, van het individu die hij heeft geërfd en doorgeeft aan de volgende generatie zorgen voor aanpassingen van de soort. Het doorgeven van de genen is niet willekeurig – dat geeft het begrip selectie al aan. Er is dus sprake van een selectie, een keuze voor een ander individu. Bij de mens is, als serieel monogame soort, sprake van wederzijdse keuze ofwel mutual mate choice (MMC). 

Evolutie door natuurlijke en seksuele selectie is de vigerende metatheorie voor het volledige terrein van biologie. Algemene evolutietheorie wordt tegenwoordig inclusive fitness theorie genoemd (Williams, 1964). Hoewel in dit verband de term theoriewordt gebruikt, betekent dit niet dat het slechts een hypothese is, maar dat inclusive fitness al vele duizenden malen is getoetst en werden er op basis van deze theorie nieuwe soorten ontwikkeld. 

Genoom

De totale genetisch samenstelling van een organisme. De menselijke genoom bestaat uit naar schatting ca. 23.000 - 25.000 genen. 

Genetische drift

Genetische drift is het niet-adaptieve mechanisme dat zorgt voor veranderingen in de genetische samenstelling van een populatie. Het is het gevolg van het willekeurig vervangen van allelen van de ene generatie naar de volgende. Drift is (samen met mutatie, selectie en migratie) één van de drijvende krachten in de evolutie van een populatie. Drift heeft een homogeniserend effect in de populatie.

Genetische drift is het mechanisme voor verandering in de genetische samenstelling van een populatie van eindige grootte, als gevolg van het random vervangen van allelen (genetische merkers) van de ene generatie naar de volgende. In deze definitie is een 'populatie van eindige grootte' het alternatief van een (theoretisch) oneindig grote populatie. Het begrip 'random' verwijst naar het element van willekeurigheid of zuiver toeval in het proces. Samen met mutatie, selectie en migratie vormt drift één van de drijvende krachten van evolutie, waarbij we onder evolutie verstaan de verandering (generatie na generatie) van de genetische samenstelling van een populatie.

Handicap principle

Het handicap principe van Zahavi (Zahavi, 1975, 2003, 2008; Zahavi & Zahavi, 1997) berust op het principe dat de fitness indicatoren (signalen) van de ‘adverteerder’ alleen betrouwbaar zijn als ze ten koste gaan van de fitness van het individu en daarmee een zodanige investering vereisen dat individuen met een lagere fitness zich die signalen niet kunnen permitteren.

Holoceen

Het tijdvak vanaf 11.700 geleden tot heden, het moment waarop het klimaat na de laatste ijstijd warmer werd en enkele groepen jagers-verzamelaars een sedentair bestaan gingen leiden,.

Inclusive fitness

Adaptaties worden geselecteerd en ontwikkelen zich als consequentie van het feit dat ze inclusive fitness ondersteunen (Hamilton, 1964). Daarmee is het centrale element van de algemene evolutietheorie. Inclusieve fitness heeft dus betrekking op het aantal nazaten die iemand zelf nalaat tot deze zelf in staat zijn een nageslacht te verwekken of individuen waarmee hij zijn genen deelt te ondersteunen in hun streven naar hetzelfde doel. 

Ingroup & outgroup

Ingroup vs outgroup is de basis van het ‘wij’ en ‘zij’ denken. ‘Wij’ delen de gelijke waardes en normen met elkaar, in tegenstelling tot ‘zij’. Deze functionaliteit structureert het gedrag van mensen  op het gebied van huwelijk, werk, adviezen, ondersteuning, het overdragen van informatie, sociale uitwisseling, en in wezen alle vormen van relaties (McPherson, Smith-Lovin & Cook, 2001; Paladino & Castelli, 2008). De sociale netwerken van mensen vormen daarmee een sociodemografische schets, een indicatie van het gedrag en de interpersoonlijke relaties van mensen en daarmee van hun motievatieprofiel en hun sociale strategie. Verschillen worden aangegeven door symbolische ‘grenzen’ zoals taal, geloof, kleding en de vele andere aspecten waarmee mensen zich kunnen omgeven (Turchin, 2009). Het is één van de gevolgen van stratificatie, een anti-egalitair aspect van een hiërarchische samenleving die onherroepelijk leidt tot ongelijkheid. 

 

Life history theory (LHT)

Veel evolutiepsychologen, zoals o.a. Nettle, Rushton, Geary, Del Guidici, Belsky, Charnov, Kenrick, Gangestad, Hill, Chisholm, Lande, Kaplan, Quinlan, E.O. Wilson, Gadgil & Bossert, Hutchinson (die er als één van de eersten over publiceerde) en Figueredo gaan bij het bepalen van een reproductiestrategie uit van de life-history r-K schaal. Aan het ene uiterste van de r-schaal volgt het individu een strategie die is gericht op korte termijn strategie met een hoge productie en weinig tot geen aandacht voor het nageslacht. Aan de K-zijde van de schaal volgt het individu een lange termijn strategie met een lage productie en veel aandacht voor het nageslacht. De mens als soort volgt in principe een K-strategie. Binnen de soort kan een individu echter een op korte productie termijn gerichte r-strategie volgen. De (onbewuste) r-K afwegingen van het individu worden veroorzaakt door genetische en/of omgevingsfactoren die risicovol zijn (dan volgt het individu in principe een r-strategie) of niet. In het laatste geval volgt het individu in principe een K-strategie. Volgens Rushton (2000) bestaan er binnen de soort ook verschillen tussen bij voorbeeld vrouwen die een K-strategie volgen, hebben meer intelligentie en een lagere eicel productie dan vrouwen die een r-strategie volgen. Mannen die een K-strategie volgen besteden meer tijd en aandacht aan hun nageslacht dan mannen die een r-strategie volgen.

Uit: P. Rushton Race, evolution and behavior: A life history perspective

 

MAOA (monamine-oxydase A)

 

Moffit en Caspi (2002; Kim-Cohen et al. 2006) hebben aangetoond dat de reactie op deze sociale gezinscontext ook samenhangt met het MAOA-enzym (monoamine-oxidase A) dat de neurotransmitters serotonine, noradrenaline en in mindere mate dopamine afbreekt. Deze stoffen zijn niet alleen bij asociaal gedrag zoals agressie betrokken, maar ook bij gedragsproblemen zoals onder andere attentie, seksualiteit, leren, beloning en verslaving.

 

Mentale indicatoren van fitness

Het  brein van de mens is door zijn omvang en (ook genetische) complexiteit zijn voornaamste seksuele ornament. In seksuele selectie is het voor het individu, naast enkele specifieke fysieke aspecten, belangrijk zijn mentale fitness te kunnen aantonen.  

Mind

In het Nederlands wordt het Engelse mind veelal vertaald als geest of ziel. Dit heeft echter wat deze thesis betreft een (te) gelovige bijsmaak zodat in deze thesis het Engelse woord ‘mind’ is gehandhaafd.

Modulaire brein

Het brein van de mens heeft zich gedurende miljoenen jaren evolutionair ontwikkeld op basis van problemen waarmee jagers-verzamelaars regelmatig werden geconfronteerd. In dat proces zijn adaptaties geëvolueerd die een bijdrage leveren aan het inclusive succes van het individu en opgenomen in de genenpool van de soort. Dit zijn functionele oplossingen waarbij het organisme en het brein zijn gebaseerd op form follows function. Een van de geëvolueerde organen is het modulaire brein (een functionele bundeling van neurale verbindingen). De functie van het brein is dat het, op basis van waardebepalingen en daarbij gestuurd door natuurlijke algoritmen, afwegingen maakt waarmee talloze specifieke en relatief gestandaardiseerde problemen kunnen worden opgelost. Nieuwe problemen waarmee het individu wordt geconfronteerd, worden afhankelijk van de intelligentie en het innovatieve vermogen van het individu, opgelost met tijdelijke neurale verbindingen van een aantal daaraan gerelateerde modules.

 

 

Nash equilibrium

In het zogenoemde Nash equilibrium, een speltheorie geïntroduceerd in 1950 door de wiskundige John Nash, houdt in dat alle spelers rekening houden met de besluitvorming van de andere spelers. Alle spelers analyseren welke keuzes er gemaakt kunnen worden als iedere speler rekening houdt met de besluitvorming van alle andere spelers. 

 

Natural and sexual selection

Natuurlijke en seksuele selectie hebben het vermogen complexe, precieze, efficiënte en complexe mechanismen te produceren. Evolutionaire processen zoals mutaties, genetische drift (een verandering in allelfrequenties in een populatie die niet op selectie maar op toeval berust) en pleiotropische effecten (een gen dat meer dan één fenotypisch effect teweeg brengt) kunnen wel van invloed zijn op het fenotype. 

Out of Africa 

De Out of Africa theorie (OOA) theorie is dat een groep Homo erectus ca. 1,8 miljoen jaar geleden voor de eerste maal het Afrikaanse continent verliet, het zogenoemde Out-of-Africa I. Deze groep, de Homo erectus, verspreidde zich ca. 1,8 miljoen jaar geleden over Java en China. Een andere groep trok rond 120.000 jaar geleden richting Europa, maar stierf 90.000 jaar geleden uit. Out-of-Africa 2 vond plaats toen de Homo sapiens sapiens al ca. 100.000 jaar bestond. Dat betekent dat 100.000 jaar geleden de wereld werd bevolkt door drie verschillende levende menssoorten: Homo erectus, Homo sapiens sapiens en de Neanderthalers die delen van Azië en Europa bevolkten. 

Pleistoceen

Dit is het tijdperk vanaf 2,58 miljoen jaar geleden dat aansluit op het begin van het Holoceen. Het wordt onderverdeeld in het Boven, Midden en Onder Pleistoceen waarbij het Boven aansluit op het Holoceen. 

Selection equilibrium

  populatie een specifiek evenwicht kiest waarbij meerdere equilibria mogelijk zijn. Keuzes kunnen worden bepaald door genetische evolutie, culturele geschiedenis of individuele leerprocessen. 

Sociale strategie

De sociale strategie theorie houdt in dat mensen onbewust een strategie volgen die is gebaseerd op hun motievatieprofiel met als doel het verhogen c.q. bereiken van hun ultieme doel van inclusive fitness.

Social uitwisseling (social exchange) 

Sociale uitwisseling is de manier van samenwerking tussen mensen. Het is één van de meest fundamentele aspecten in het bestaan van de sociale mens. Sociale uitwisseling, gebaseerd op wederzijdse reciprociteit, kan impliciet of expliciet zijn, direct of uitgesteld,  of meer complexe (onder)handelingen inhouden (Barkow, Tooby & Cosmides, 1992; Cosmides, 1985; Cosmides & Tooby, 2015).

 

 

 

 

Social brain hypothesis 

De sociale brein hypothese (Adolphs, 2003, 2009; Dunbar, 1998, 2009) is het onvermogen van de mens zich gemiddeld meer dan ca. 150 verschillende individuen te kunnen herinneren. De oorspronkelijke evolutionaire visie op het brein was dat het de primaire functie heeft om het individu te helpen in een ecologische omgeving te overleven. In aansluiting op de Machiavellian Brain hypothese van Whiten en Byrne en Byrne en Whiten (1988, 1988) stelt Dunbar (1998) dat vooral het grote neocortex deel van het menselijke brein is bedoeld om anderen te beïnvloeden. Het intens sociale bestaan van de mens vereist dat het individu de complexe interactie van anderen kan begrijpen, voorspellen en manipuleren. Dit verklaart ook het intensieve gebruik van en de behoefte aan mobiele telefoons, sociale media en de intensieve belangstelling voor verhalen en roddels over anderen, over de handel en wandel van meer of minder bekende beroemdheden van de tv, de film of de sport (De Backer & Fisher, 2012). Het verklaart ook waarom de mens wel 20% van zijn beschikbare tijd doorbrengt in het gezelschap van, of in contact met, anderen (Distel et al., 2010). 

 

Pleistoceen en Holoceen De periode van het Onder, Midden en Boven Pleistoceen loopt van 2.588 ma (miljoen jaar) tot 11.7 ka (duizend jaar). Het Holoceen betreft de periode van 11,7 duizend jaar geleden tot heden. 

 

 

selective sweeps

Organisms can often adapt surprisingly quickly to evolutionary challenges, such as the application of pesticides or antibiotics, suggesting an abundant supply of adaptive genetic variation. In these situations, adaptation should commonly produce “soft” selective sweeps, where multiple adaptive alleles sweep through the population at the same time, either because the alleles were already present as standing genetic variation or arose independently by recurrent de novo mutations. Most well-known examples of rapid molecular adaptation indeed show signatures of such soft selective sweeps. Here we review our current understanding of the mechanisms that produce soft sweeps and the approaches used for their identification in population genomic data. We argue that soft sweeps might be the dominant mode of adaptation in many species.