3.2 Psychosociale ontwikkelingen

De levensloop kent een aantal min of meer vaste fasen die elk gestuurd worden door en gepaard gaan met weer andere eigenschappen. Er is sprake van fasering omdat de mens zich gaandeweg een enorme toolbox aan kennis en vaardigheden moet verwerven; dat is teveel om alles in een keer mee te krijgen. Vandaar dat er sprake is van een gefaseerde ontwikkeling, waarin het vermogen om informatie te verwerken zich differentieert. Babies kunnen razendsnel data- en nieuwe informatie verwerken, bij ouderen ligt de focus op wat tragere kennis- en wijsheidverwerving. Het begrip psychosociale ontwikkeling verwijst naar het kader waarbinnen de mens, gefaseerd en onder invloed van vele factoren, leert van zijn of haar ervaringen. Om de psychosociale ontwikkelingen conceptueel te verhelderen, beschrijven we die 'entiteiten' steeds aan de hand van het volgende kwartet: 

De ontwikkeling van de mens als individuele beslisser met onderscheidende kenmerken plaatst de EP in de periode tussen conceptie en de eerste 3-4 jaar na de geboorte. In deze periode vindt de belangrijkste ontwikkeling van fundamentele motivatie plaats en wordt daarmee de basis gelegd voor individuele verschillen in besluitvorming.  (Baron-Cohen, 2003, 2005, 2007; Caspi, 2000; Del Guidici & Belsky, 2010; Lewis, 2005; Rich Harris, 2009, 2011). We beginnen daarom bij prenatale invloeden op de vorming van het individu en eindigen bij de oorsprong van diens uiteindelijke unieke gedrag, het individuele motivatieprofiel. 

Aan de orde komen: 
  1. Prenatale beinvloeding
  2. Eerste socialisering
  3. Tweede socialisering
  4. Vorming van het fundamentele motivatieprofiel.

OPTIONEEL: 

Vorming van de morele waardebepaling

Derde socialisering > Sociale strategie

Meer weten? Zie Ontogenetisch perspectief